door Barbara Van Dyck
In deze blog wordt ingegaan op de vraag hoe landbouwbedrijven zich aanpassen aan de eisen van nieuwe technologieën.
De grote zaal op Domaine de l’Escaille nabij Namen zat eivol, wanneer de Federation des Jeunes Agriculteurs FJA in maart 2024 er hun jaarlijks congrès hielden. Veel van de aanwezigen hadden de afgelopen weken autostrades en andere economische knooppunten lamgelegd om te laten voelen dat het zo niet verder kan. Het landbouwsyndicaat wil jonge mensen ondersteunen om in te stappen op familiale bedrijven die economisch, sociaal en ecologisch levensvatbaar zijn. Tussen de administratieve overlast, prijzen die de kosten niet dekken, moeilijke weersomstandigheden en complexe ecologische regelgeving is die leefbaarheid vaak niet het geval. Daarom dat hun leden op straat kwamen. De adrenaline in de zaal was voelbaar en wanneer toenmalig minister landbouw Borsus het podium opkomt werd hem de rug toegedraaid.
Daar in de zaal zittende, bedacht ik me dat het conferentieprogramma vast al vastgelegd was voordat de boerenprotesten uitbraken. Het officiele thema van de bijeenkomst – ‘de digitale horizon: de landbouw van morgen inbeelden’ – voelde niet in lijn met de sfeer van het moment.
WalDigiFarm en het Waalse Agentschap voor Digitalisering zoomden er in op de mogelijkheden en uitdagingen die de digitale transformatie stelt aan de landbouw in Wallonië en ook hoe er voor te zorgen dat meer landbouw(st)ers digitale technologieën integreren in hun bedrijfsvoering. Deze organisaties krijgen steun van de Waalse overheid om de invoering en toepassing van digitale technologieën in de landbouwsector te versnellen. Zo hopen ze de Waalse landbouw te verbeteren en te optimaliseren.

Het bevragen van het technologische imperatief is cruciaal op een moment dat we zien dat Europa, nationale en regionale overheden, zoals Wallonië en Vlaanderen, massief investeren in het versnellen van de digitalisering van de landbouw. Er ontstaat immers een enorme blinde vlek wanneer het ondersteunen van technologische transformatie op zich belangrijker wordt, dan te trachten te begrijpen wat de gevolgen ervan zijn.
Na de uiteenzetting van beide organisaties en een Franse boer die een sterk gedigitaliseerd bedrijf leidt, nam de voorzitter van het syndicaat voor jonge landbouwers het woord. Hij lijkt niet laaiend enthousiast over de nood aan het snelle verspreiden van digitale landbouwtechnologieën en heeft het over de echte noden van de lanbouwers : eerlijke prijzen, toegang tot grond, minder administratieve overlast en geen oneerlijke internationale handelsverdragen. Specifiek over de digitalisering van de landbouw stelde hij dat landbouwers ‘uiteraard technologie willen die voor hen werkt’. In dezelfde adem vroe hij zich evenwel af of het niet de boeren zijn die voor de digitale technologie bedrijven werken, in plaats van dat de nieuwe technologiëen in dienst van de landbouw staan.
De spanning tussen de beleving van landbouwcrisissen door boeren en boerinnen, en de verstrengeling ervan met digitalisering raakt één van de kernvragen van friction-onderzoek: wie werkt voor wie?
Wie werkt voor wie?
Als onderzoekster die heel wat tijd achter de computer doorbrengt, werk ik gratis voor Big Tech. Iedere keer ik een zoekterm ingeef in een platform zoals Google of een tekst door een vertaalservice draai, genereer ik data. Het cloud-gebaseerde bedrijf dat die gegevens verzamelt en verwerkt, zal hier waarde uithalen. Terwijl ik niet betaald werd voor het uitvoeren van mijn zoekopdracht –het is een service die google me gratis aanbied—draag ik bij aan de waardevermedering van het bedrijf. Wanneer ik de services van google gebruik, betreed ik me op hun domein en schrijf ik me in in hun voorwaarden.
Heel wat parallellen kunnen gemaakt worden met wat de digitale transformatie met de landbouw doet. Moderne tractoren zijn immers computers op dikke banden. En wanneer tractoren computers worden, krijgen ze ook de problemen van computers. Funfact, in 2021 had John Deere, één van de grootste spelers op de wereldmarkt van landbouwmachines, meer software-ingenieurs dan mechanisch ingenieurs in dienst.
In de Verenigde Staten ontstond een daaraan gelinkte controverse tussen landbouwers en John Deere rond reparatierecht. Landbouwers stelden aan de kaak dat ze zelfs voor eenvoudige reparaties van tractoren die ze duur betaalden, volledig afhankelijk waren van John Deere en hun erkende dealers. Door de software in de tractoren, werd het zelf fysiek vervangen van zelfs kleine onderdelen praktisch onmogelijk omdat het openen van software sloten nodig was. John Deere argumenteerde dat boeren wel eigenaar waren van de tractoren, maar dat ze enkel gebruikslicenties hadden voor de software in hun tractoren. Niet verbazingwekkend begonnen boeren daarom samen te werken met hackers.
Naast reparatierecht ging het dispuut ook om het eigenaarschap van en toegang tot de realtime velddata die landbouwers genereren elke keer ze een John Deere machine gebruiken. John Deere was van mening dat niet de landbouwers, maar zij eigenaar waren van deze gegevens. En het is net het verzamelen van enorme hoeveelheden data, samen met het aanbieden van software-diensten door cloud-gebaseerde bedrijven dat het fundament vormt van precisielandbouw.
Het dispuut mondde uit in tientallen rechtzaken en een klasse actie, aangezien de landbouwers het niet langer pikten dat ze eerst dure moderne tractoren aanschaften, vervolgens het werk doen dat data genereert, zonder zelf toegang te hebben tot die gegevens. Intussentijd, hebben de gebruikers van John Deere machines wel degelijk toegang tot hun gegevens, maar dit verandert weinig aan het feit dat het John Deere is, die aan waarde wint dankzij het massaal verzamelen ervan.
Tussen 2010 en 2025 verdubbelde John Deere haar jaarlijkse omzet en verdrievoudigde haar marktcapitalisatie. Alleen al in 2021, midden in de COVID-pandemie, genereerde het bedrijf een omzet van 7,7 miljard dollar. Naast de verkoop van machines wordt een deel van die waarde gegenereerd door het aanbieden van diensten. Er is weinig duidelijkheid over wat John Deere uiteindelijk met al die gegevens doet. In hoeverre verkoopt het bijvoorbeeld geaggregeerde gegevens aan beleggingsmaatschappijen? Of wie stelt op basis van dergelijke geaggregeerde gegevens welke strategieën en beslissingen op?
Achter de vraag ‘wie werkt in het belang van wie’, schuilt dus veel meer dan het verzamelen van gegevens, en het regelen van de toegang ertoe.
Omgekeerde aanpassing: de landbouw stemt zich af op de technologie
Technologiedenker Langdon Winner reikt waardevolle instrumenten aan om deze vraag te beantwoorden. In zijn boek over technologie en autonomie, dat voor het eerst verscheen in 1977, spreekt hij over ‘omgekeerde aanpassing’. Hij legt uit dat technologische systemen los kunnen komen te staan van hun oorspronkelijke doel en dat de omgeving waarin technologieën worden geïntroduceerd zich vervolgens aanpast aan de behoeften en mogelijkheden van bepaalde technologie.
Als we het concept van ‘omgekeerde aanpassing’ toepassen op de landbouw, wordt al snel duidelijk hoezeer er waarheid schuilt in het idee dat de landbouw zich aanpast aan technologieën. Dit vormt een aanvulling op – en is soms zelfs in tegenspraak met – de gangbare opvatting dat technologieën worden ontwikkeld om de problemen in de landbouw aan te pakken. Denk bijvoorbeeld aan kunstmest.
Hoewel kunstmeststoffen oorspronkelijk bedoeld waren om de opbrengsten te verhogen, hebben ze er ook toe geleid dat de landbouw zich geleidelijk aan deze producten heeft aangepast. De manier waarop de grond wordt bewerkt, het gebruikte zaad, de perceelgrootte en de standaardisatie van producten zoals we die vandaag de dag kennen, zijn deels het gevolg van de afhankelijkheid van deze industriële meststoffen. Technologie is dus mede bepalend voor de aard van de landbouw die op een bepaald moment en op een bepaalde plek floreert.
Een ander meer recent voorbeeld is het inbrengen van digitale bolussen in het reticulum van koeien voor monitoring. Ook op melkveebedrijven in België zagen we recent de introductie van smaXtec bolussen. SmaXtec is een Oostenrijks bedrijf, waar het globale investeringsfonds KKR onder het motto « unlocking potential and securing futures » in 2025 meerderheidsaandeelhouder werd.
De maagbolus meet de bewegingen van de koeien, hun drinkgedrag, herkauwen en temperatuur, met een nauwkeurigheid van 0,3 graden Celsius volgends de website van het bedrijf. Temperatuur en beweging zijn indicatoren voor uierontstekingen, vruchtbaarheid en het naderen van het kalven, allemaal belangrijke factoren voor het beheer van een melkveehouderij.

Gebruikers van SmaXtec ontvangen een gepersonaliseerde analyse van hun kudde via de Smart Farm Data-app, dat kan worden gebruikt voor managementbeslissingen en mogelijk voor meer automatisering wanneer het wordt gekoppeld aan waar een koe zich op welk moment kan verplaatsen, welk voer ze krijgt of wanneer ze met welk sperma moet worden geïnsemineerd. Andere beslissingsondersteunende software voor melkveebedrijven in België worden aangeboden door Laval of Lely.
Tijdens onze bezoeken aan boerderijen in België vertelden boeren en boerinnen ons hoe zij het werk op de boerderij, hun dagelijkse routines en taken organiseren op basis van waarschuwingen en algoritmische inzichten van deze systemen. Vooral bij grotere veestapels spelen de algoritmische signalen van de monitoringsystemen, en niet zozeer het ‘oog van de boer’, een cruciale rol bij de werkorganisatie en besluitvorming. Wat als een probleem wordt beschouwd en aanleiding geeft tot actie, hangt dus af van wat door de technologie meetbaar is.
Winner’s kader van ‘omgekeerde aanpassing’ laat zien dat de koemonitoringsystemen de melkveehouderij niet alleen ondersteunen, maar tegelijkertijd ook een nieuwe vorm geven : het werk op de boerderij past zich aan aan het ritme, de aannames, de ingebouwde logica en de mogelijkheden van de monitor technologieën.
Beleidskaders en stimuli op maat van de technologie
En wanneer het gaat om een omgeving die zich aanpast aan de noden van technologische systemen, dan gaat het niet enkel om bedrijfskeuzes, maar ook over grotere politieke en economische verschuivingen. Jacques Ellul, technologiedenker uit mid vorige eeuw, beargumenteerde hoe politieke en economische systemen ondergeschikt kunnen worden technologische systemen. Hij spreekt van een technologisch imperatief, wanneer zelfs indien het duidelijk is dat technologische systemen niet werken in het belang van mensen of ecologieën, politieke beslissingen genomen worden in functie van het beter laten functioneren van de technologie.
Het bevragen van het technologische imperatief is cruciaal op een moment dat we zien dat Europa, nationale en regionale overheden, zoals Wallonië en Vlaanderen, massief investeren in het versnellen van de digitalisering van de landbouw. Er ontstaat immers een enorme blinde vlek wanneer het ondersteunen van technologische transformatie op zich belangrijker wordt, dan te trachten te begrijpen wat de gevolgen ervan zijn. Het is die blinde vlek waar we bij Friction op focussen.